De Vulkaan

in #dutch4 hours ago

De Vulkaan

De vergaderkamer rook naar koffie die te lang op de plaat had gestaan.
Egbert zat aan het hoofd van de tafel. Rechts korpschef De Jong. Links officier van justitie Bakker.
Hij kuchte. Kort. Beheerst.

"Het paneel," zei hij. "De teruggave aan de parochie."

Bakker schoof een dossier naar voren.

"Het 17e-eeuwse paneel. Geroofd in 1943. De familie van de Duitse officier—"

Egbert stak een hand op.

"Ik heb de memo gelezen. Nazi's, kerk, roofkunst. Publieke aandacht is aannemelijk."

De Jong opende zijn map.

"Drie aandachtspunten. Logistiek: de straat is te smal voor perswagens."

"Hanteerbaar," zei Egbert.

"Mogelijke tegendemonstraties. Antifa heeft interesse getoond. En enkele... nostalgisch ingestelde individuen."

Egbert knikte.

"Dat is het werkelijke risico. Individuen met te veel vrije tijd. Geen grootschalige politie opstelling. Onzichtbare aanwezigheid."

De Jong maakte een notitie.

"Transport van het paneel zelf."

"Discreet," zei Egbert. "Geen Hollywood."

Hij keek naar Bakker.

"Eén narratief. Historisch onrecht gecorrigeerd. Geen politiek verhaal."

Bakker knikte.
Egbert sloot zijn notitieboekje.

"Deze teruggave moet laten zien dat wij ons verleden beheersen."

De parochie rook naar was en steen. Patrick stond bij het zijaltaar waar het schilderij ooit had gestaan en spoedig weer zou komen te staan.

"U wilde het bespreken," zei Patrick.

"De overdracht," zei Egbert. "En de context."

Patrick streek met zijn hand over het lege zijaltaar.

"Het is genomen. Niet verplaatst."

"Het komt terug."

"Ja. Zoals de verloren zoon in de armen van zijn vader."

Egbert zweeg.

Ze liepen langs de banken. Patrick vertelde over de SS'er die het doek tijdens de oorlog had meegenomen omdat hij absolutie zocht in dit schilderij.

Egbert zweeg.

"Hij zocht vergeving," zei Patrick.

Egbert bleef staan.

"Dat is geen juridische categorie."

"Nee."

"Dan begrijp ik niet waarom hij het hield."

Patrick keek hem aan.

"U hoeft het alleen te zien."

Vanuit café de Zwaan keek men uit over het dorpsplein en het monument. Het café gleed die avond in zijn vertrouwde routine. Gesprekken. Gevulde glazen. Gelach. De geur van bitterballen.

Egbert zat aan het tafeltje in de hoek. Recht. Stil.

Jan van der Berg zat aan de bar met een fles wijn en een glas. Hij draaide zich om richting de tafel waar Egbert zat en toonde hem de fles.

"Aglianico del Vulture," zei hij. "Van de vulkaan."

Egbert keek op maar zei niets.

"Een wijn die leeft op dingen die gesmoord zijn. Zwarte kers. Rook. Een zweem van as."

Jan keek hem aan. Niet gewoon kijken. Zien.

Egbert verstijfde. Zijn vingers grepen het waterglas dat voor hem stond.

"Ik houd het bij water."

Jan schonk zijn glas bij.

"Je spreekt in beelden. Vulkaan. Vuur."

Egberts stem werd kouder.

Er viel een stilte.

Jan zette de fles neer. Hief zijn wijnglas op. Walste het glas en hield het tegen het licht.
Hij had een melancholische blik. Hij zweeg. Lang. Maar uiteindelijk verbrak hij de stilte.

"Een vulkaan vernietigt niet omdat hij dat wil." zei hij zacht. "Hij barst omdat niemand hem ruimte geeft om te ademen."

Egbert leunde naar voren.

"Pompeï had daar weinig aan terwijl het stikte onder de as."

Hij sprak het als een executie.

Jan zette het glas neer.

"Sommige vuren kunt u maar beter niet proberen te doven."

Hij draaide zich om.

Egbert bleef kijken. Te lang. Zijn hand, die gestrekt op tafel rustte, vormde een vuist.

Die nacht reed Egbert naar de Oude Stationsweg.

De volgende ochtend zat Ben aan zijn bureau. Voor hem zat een man met een zwaar toegetakeld gezicht.

"Naam?"

"Matteo Rojas."

Hij schoof zijn paspoort naar Ben toe.

"Wat is er gebeurd?"

Matteo keek naar zijn hand.

"Er was een klant. Hij werd gewelddadig.”

“Wat deed hij?”

“Hij sloeg me. Hij schreeuwde.”

“Wat schreeuwde hij?”

“Dat ik niet zo moest kijken. Dat ik stil moest zijn."

"Waar gebeurde dit? En wanneer?"

"Op de afwerkplek in het oude stationsgebouw vlak bij onze cruisingzone aan de Oude Stationsweg. Gisteravond laat."

"Signalement?"

Matteo aarzelde.

"Zestiger. Grijs pak. Hoge functie, denk ik."

Ben schreef.

"Iets specifieks?"

"Hij leek erg op de burgemeester."

Ben's pen stopte. Hij keek op.

"Leek op?"

"Erg veel."

Ben noteerde het. Hij stuurde het rapport door naar de korpschef.

De korpschef belde Egbert.

"We moeten praten."

"Kom naar mijn kantoor."

"Liever hier."

Egbert arriveerde binnen een uur. De Jong schoof het rapport over tafel.

"Er is een aangifte gedaan. Door iemand die zegt dat u—"

"Dit soort ongefundeerde beschuldigingen zijn schadelijk voor de gemeente."

Egberts stem was vlak.

"Dit is zeer zeker een van die valse meldingen. We moeten erachteraan. Ik wil weten wie aangifte heeft gedaan."

De Jong keek hem aan.

"Dat is niet hoe dit werkt."

"Het werkt zoals ik zeg dat het werkt."

De Jong zei niets meer. Hij schoof het dossier terug in de map.

De parochie was leeg. Het paneel hing op zijn plek.
De lijdende Christus. Geen triomf. Droefenis.
Egbert stond stil. Te lang.
Hij kuchte. Kort.

“Ongewapend.”

Geen oordeel. Een constatering.
Hij bewoog dichterbij. Het gezicht van Christus was sereen, machteloos sereen.
Zijn vingers krulden even in zijn handpalm.

Hij draaide zich om. Te snel.
Buiten inhaleerde hij de koude lucht.

Egbert reed die avond langzaam over de Oude Stationsweg.
Het was later dan hij had gepland. De straatverlichting was onregelmatig. Een armatuur knipperde.
Hij zette de auto stil bij het oude stationsgebouw. Liet de motor draaien.
Twee mannen stonden verderop bij het hek. Ze praatten niet. Eén keek op, keek weer weg.
Egbert pakte het dossier dat hij van de korpschef had gekregen en wachtte.

De volgende ochtend werd er een lichaam aangetroffen in het voormalige station aan de Oude Stationsweg. Een jongeman. De omstandigheden waren gruwelijk.
Ben herkende de jongen meteen.
Er volgde een onderzoek naar de toedracht. Ben werkte aan het dossier.

Egbert belde vaak.

"De stand van zaken?"

"We zijn nog bezig met forensisch onderzoek."

Op een gegeven moment vroeg Egbert naar de bloedsporen op de muur.
Ben keek naar zijn rapport. Dat detail stond er niet in. Nog niet.

"Dat is nog niet gerapporteerd." zei Ben.

Stilte.

"Ah. Dat had ik ergens opgevangen."

Ben noteerde de tijd. De datum. Het gesprek.
Hij belde de korpschef.

Drie dagen later ontving de korpschef telefoongegevens. ANPR-beelden.
Egberts auto was de bewuste avond in de buurt van de Oude Stationsweg gesignaleerd. 23:17 uur.

Zijn telefoon. Dezelfde locatie.

Hij belde de officier van justitie.

De cel in de Penitentiaire Inrichting was ongeveer zeven vierkante meter, constateerde Egbert.
Aanmerkelijk kleiner dan zijn werkkamer in het gemeentehuis.

Er stond een bed met een dun matras.
Een wastafel met koud water.
Een toilet.
Een bureau en een stoel.

Dit was conform de norm.

Een televisie had hij kunnen huren. Hij had daarvan afgezien.
Verlichting en ventilatie waren basaal. Functioneel.
Het raam was klein en hoog geplaatst, voorzien van gehard glas.

De deur was van massief staal, met een luikje voor controle en maaltijden.
Anders dan de massief eikenhouten deur van zijn werkkamer.

De commissaris van de Koning had niet geklopt.

Hij had het dossier op het bureau gelegd.

“De gemeenteraad heeft een noodsignaal afgegeven,” had hij gezegd. “Unaniem.”

Daarna had hij opgesomd:
dat Egbert de afdeling Volkshuisvesting naar huis had gestuurd zonder overleg;
dat hij twee wethouders hun bevoegdheden had ontnomen;
dat hij het crisisbudget had aangewend voor tachtig verkeersborden;
dat hij buitenproportioneel streng was geweest in de handhaving van het vuurwerk- en stookverbod;
dat hij de raad had gepasseerd in het debat over de komst van het AZC.

Egbert had willen reageren.
De commissaris had zijn hand opgeheven.

“Dan is er nog dat kunstwerk,” had hij gezegd.
“Een aanbesteding in ruil voor seksuele handelingen, heb ik begrepen.”

Egbert had naar de vloer gekeken.

“Maar het meest verontrustend is uw bemoeienis met het politieonderzoek.”

Stilte.

“U bent inmiddels zelf onderwerp van dat onderzoek geworden.”

Egbert had naar het portret van de Koning gekeken.
Daarna was hij opgestaan.

“Het spijt me dat ik de stad in de steek moet laten.”

In de gang hadden twee rechercheurs gewacht.

“Meneer Van Vliet,” hadden ze gezegd,
“u wordt aangehouden op verdenking van moord.”

Geen handboeien.
Discrete begeleiding.
Een aparte uitgang.

Hij had zijn rug recht gehouden terwijl hij tussen hen door liep.

Artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht was genoemd.
Maximaal, gezien de omstandigheden.

Egbert had geluisterd.

Hij werd verplaatst. Eindelijk.

Nu werkte hij in de gevangenisbibliotheek.

Zijn nieuwe functie.

Bij het ordenen van de collectie had hij vastgesteld dat de alfabetische rangschikking stopte bij de eerste letter.

Dat zou aandacht vereisen.

Door Johan Jongepier