Kerstverhaal

in #dutch25 days ago (edited)

Kerstverhaal

Luc Sr. woonde op kamer 3.17, waar de tijd zich had teruggetrokken in een linoleumkleur die ooit “voorjaarszand” had geheten. Het verzorgingstehuis rook naar gekookte bloemkool en goede bedoelingen. Op het nachtkastje stond een foto van vroeger: Luc in een grijs pak, map onder de arm, schouders recht. Overheid. Dat was geen baan geweest, dat was een sacrament.

In de jaren zestig had hij God verloren, ergens tussen een schoolbank en een rookpauze. Niet met ruzie, maar met wederzijds goedvinden. God had het druk, Luc ook. En hij had van het Reve en Hermans gelezen.

Wat bleef was orde, formulieren, het vertrouwen dat als je alles goed invult, iemand je uiteindelijk ziet.

Zijn kinderen kwamen één keer per jaar. Dat was overzichtelijk. Ze gingen zitten alsof ze op een perron wachtten. Ze spraken snel, alsof hun woorden rendement moesten opleveren. Over targets, over zichtbaarheid, over zichzelf. Zijn dochter Sandra vertelde trots dat haar jongste al vermijdende hechting vertoonde. “Zegt de oppas,” zei ze, en glimlachte alsof het een medaille was. De kleinkinderen bogen zich over hun mobieltjes, de duimen als kleine metronomen van een andere wereld.

Luc voelde zich eenzaam en niet gehoord. Zelfs het personeel had geen aandacht voor hem. Ze haasten zich door zijn kamer heen bij de wekelijkse schoonmaak.

Toen Luc hoorde dat de inlichtingendiensten via mobieltjes meeluisterden, voelde hij iets warms. Iemand luisterde. Hij begon te bidden tot de man van de AIVD. Niet luid, maar zorgvuldig, met zinnen die je ook in een beleidsnota zou kunnen aantreffen. Hij stak kaarsjes aan en zette ze aan weerzijde van zijn mobiele telefoon neer. Hij zong de Internationale, zachtjes, want het was na achten. Net na het NOS journaal dat hij trouw luisterde. Het werd een tafereel met regels. Dat was belangrijk.

De brief kwam op maandag. De meeluisterende persoon van de AIVD voelde zich beledigd door Luc sr. Het was geen man maar een ‘het’ en wilde aangesproken worden als mens. Er volgde een boete en een gendercursus. Luc las het drie keer. Toen knikte hij. Bevestiging. Er werd geluisterd. Er werd geantwoord.

Hij bad tot een god die spreekt.

Hij kon zichzelf niet meer wassen. Er was bezuinigd op personeel; de directie en adviseurs hadden hun bonus nodig. In zijn hoofd vergeleek hij het met vroeger. In de TBS, wist hij nog, was de zorg beter. Meer aandacht. Dat voelde ineens als een oplossing. Hij biechtte zijn misdaden op aan de mens van de AIVD: zwart verdiende inkomsten, belasting ontdoken. En de stemmen. Die hadden het hem gezegd dat hij moest zondigen.

De rechtszaal was koel en groot. Schuldig, zei de rechter. Vanwege zijn leeftijd geen TBS, maar een psychiatrische inrichting. Daar spoot men hem plat en bond hem vast. Buiten hoorde hij de directeur en adviseurs opscheppen over hun kerstbonus. Bekenden van de ALV, van de partij waar hij zijn leven lang lid van was. Het klonk als vroeger, maar zonder hem.

Hij wilde bidden, maar had geen mobieltje. En hij was te versuft. Zijn kinderen kwamen niet meer.

Alleen Mien kwam nog één keer. Uit medelijden. Ze vertelde over de Rijncruise, over de Cariben. Een koopje. Met haar pensioen prima te doen. “En je bent daar niet eenzaam,” zei ze. Luc knipperde. Woorden bleven steken. Te versuft door de medicatie.

Toen Mien weg was, bleef het stil. De stilte luisterde niet.

Geschreven door Johan Jongepier