HET STOOKVERBOD

in #story16 days ago (edited)

HET STOOKVERBOD

De eerste klacht kwam op een dinsdag in januari 2026.

Niet van een longarts of een milieuactivist, maar van een vrouw die haar ramen niet meer durfde te openen. Ze schreef dat haar gordijnen permanent naar verbrand verleden roken. Alsof iemand haar huis gebruikte om iets uit te wissen.

Egbert van Vliet las de mail twee keer. Niet omdat hij twijfelde aan de inhoud, maar omdat hij de toon proefde. Er zat geen woede in. Geen verontwaardiging. Alleen iets wat hij herkende als morele vermoeidheid. Dat was gevaarlijker dan boosheid. Boosheid verdampte. Vermoeidheid bleef liggen als een laag stof.

De Europese richtlijn lag al weken op zijn bureau. Fijnstof. Luchtkwaliteit. Volksgezondheid. Abstract genoeg om gezag te dragen zonder gezicht te krijgen. Hij kende dit soort documenten. Ze vroegen niet om interpretatie. Ze vroegen om toepassing. Precies datgene waar hij goed in was. Waar hij nog goed in was.

Hij noemde het geen verbod. In zijn hoofd was het een herstelmaatregel.


Chaos is de natuurlijke staat van de mens. Orde is een daad van wil.

Keizer Constantijn had dat begrepen. Hij had Constantinopel uit het niets geschapen, niet omdat Rome was ingestort, maar omdat het moreel was uitgehold. De stad functioneerde nog. De wegen liepen nog. Maar de ziel was verrot. Dus had Constantijn niet gerepareerd. Hij had vervangen.

Egbert glimlachte even om de schaal van die gedachte. Hij wist dat de vergelijking te groot was voor Hoorveld. Een dorp van twaalfduizend zielen was geen imperium. Een rookverbod was geen nieuwe hoofdstad.

Maar het principe gold.

Ook hier was mist. Morele mist. Mensen die hun eigen behoefte verwarden met recht. Die dachten dat traditie een argument was. Dat zo deden we het vroeger iets betekende in een wereld die draaide op data en richtlijnen.

Orde moest soms tegen de reflex van de gemeenschap in worden afgedwongen. Dat was geen tirannie. Dat was leiderschap.


Tijdens de persconferentie stond Egbert recht als een zuil. Het licht viel van boven, scherp en wit, en sneed schaduwen onder zijn jukbeenderen. Hij had geleerd hoe hij moest staan. Voeten iets uit elkaar. Handen los langs het lichaam, maar niet slap. Klaar. Alert. De houding van iemand die een besluit niet verdedigt, maar verkondigt.

Hij sprak over gezondheid. Over verantwoordelijkheid. Over het dorp als gemeenschap die voor haar zwaksten moest zorgen. Hij zei niets over de winter. Niets over kou. Niets over gezinnen die 's avonds rond de tafel zaten met jassen aan omdat de verwarming te duur was.

Orde, had hij geleerd, verliest haar kracht zodra ze empathie toelaat.

Het verbod ging per direct in. Geen overgangsperiode. Geen uitzonderingen.

Behalve dan.

Zijn eigen haard—monumentaal, achttiende-eeuws—viel onder cultureel erfgoed. De formulering was technisch correct. Dat was voldoende.


Wijkagent Ben van der Meer las het besluit aan zijn keukentafel.

Hij legde het papier naast zijn kop koffie en keek naar buiten, waar de adem van voorbijgangers al zichtbaar werd in de ochtendlucht. Hij kende de straten. De huizen. De kieren in de muren waar de wind doorheen sneed. Hij wist wie er 's nachts wakker lag omdat de verwarming te duur was – mensen voor wie de toekomst in de vorm van een warmtepomp na installatie onbetaalbaar bleek, en het verleden in de vorm van een houtkachel nu verboden.

Hij meldde zich bij het gemeentehuis.

Egbert ontving hem staand. Niet omdat er geen stoelen waren, maar omdat zitten gelijkheid suggereert. Hij stond met zijn rug naar het raam, het licht achter zich, zoals altijd. Ben moest omhoog kijken. Dat was geen toeval.

"Met alle respect, burgemeester," zei Ben. Hij klemde zijn pet onder zijn arm alsof hij iets had misdaan. "Dit is niet te handhaven zonder mensen pijn te doen."

Egbert knikte. Niet instemmend. Registrerend. Alsof Ben iets had gezegd over het weer.

"Agent Van der Meer, u handhaaft geen mensen. U handhaaft regels."

"Maar—"

"De wet is helder."

Ben opende zijn mond. Sloot hem weer. Egbert keek hem aan met de vriendelijkheid van iemand die een gesprek al als afgelopen beschouwt.

Het gesprek duurde zeven minuten. Dat was zes te lang.

Ben liep naar buiten met het gevoel dat hij iets had aangenomen wat hij niet wilde dragen. Maar hij droeg het wel. Dat deed men hier. Je droeg wat je kreeg.


In het dorp begon de rook te spreken.

Jan van der Berg zat in café De Zwaan met een glas dat hij te lang had vastgehouden om nog dorst te kunnen noemen.

Het was een Primitivo di Manduria, jaartal 2020. Hij had erop gestaan. Niet uit snobisme, maar uit overtuiging. Sommige jaren, zei hij altijd, dragen hun omstandigheden met zich mee. Je proeft niet alleen druif, je proeft wat er dat jaar is verdragen.

Hij draaide het glas langzaam, keek hoe de wijn langs de rand terugzakte. Donker. Bijna stroperig.

“Zie je,” zei hij tegen niemand in het bijzonder, “dit is geen vrolijke wijn.”

De man tegenover hem knikte zonder te weten waarop.

“Twintig was heet,” ging Jan verder. “Te heet. Lange zomer, weinig regen. De druiven zijn er rijk van geworden, maar niet licht. Alles concentreert zich dan. Suiker, ja — maar ook zwaarte. Alsof de wijn nergens meer heen kon.”

Hij rook aan het glas. Te lang.

“Je ruikt gedroogde pruimen. Iets van tabak. Een randje leer misschien. Geen frisse dingen. Geen beloftes.”

Hij nam een slok en hield die even vast, alsof hij controleerde of hij nog mocht doorslikken.

“Dit is een wijn die niet vraagt om gezelschap,” zei hij. “Dit is een wijn die zegt: blijf maar even zitten.”

Hij keek naar zijn glas.

“Mijn vader dronk zoiets ook,” zei hij plots. “Niet deze wijn. Dat kon hij niet betalen. Maar dit gevoel. Iets warms in een koud huis. Niet om te vieren. Om vol te houden.”

Hij zette het glas neer. Er bleef een dikke traan achter op het kristal.

“Ze zeggen altijd dat Primitivo makkelijk is,” zei hij. “Toegankelijk. Maar dat is alleen als je niet luistert.”

Hij zweeg. Het café vulde zich met geluid dat langs hem heen ging.

“Twintig was een jaar zonder uitweg,” zei hij uiteindelijk. “En dat proef je. Alles zit erin, maar niets wil eruit.”

Hij schonk zichzelf bij.

“Dit is geen wijn voor regels,” mompelde hij. “Dit is een wijn voor mensen die begrijpen dat warmte soms gewoon nodig is.”

Hij keek niet op toen hij dat zei.

Jan was geen man van politieke uitingen. Maar de barman begreep het. En ook de vaste gasten. Dit was Jans protest tegen het houtkacheltjesverbod.


Mevrouw Van Uddel organiseerde.

Haar woonkamer was altijd al een grensgebied geweest tussen legaliteit en anarchie, maar nu werd het een commandopost. Ze had schema's. Rijtijden. Vluchtroutes. Een appgroep met de naam Stook Brigade. Niemand wist wie de naam had bedacht, maar iedereen gebruikte hem.

"Dinsdag vanaf acht uur," typte ze. "Wie doet Zuid?"

Binnen tien minuten was de week ingedeeld.


Patrick, de dorpspastoor, zweeg. Tot Driekoningen.

"God," zei hij vanaf de kansel, zijn stem helder in de koude kerk, "komt niet als inspecteur. Hij komt als vuur."

De kerk was stil. Niemand klapte. Dat deed men hier niet. Maar Egbert, die achterin zat zoals burgemeesters altijd achterin zitten, voelde iets verschuiven. Niet tegen hem. Langs hem. Alsof hij een steen was waar water omheen stroomde.


De stroom viel uit op donderdag.

Het viel samen met het moment waarop de ijsmeester werd verwacht te spreken over de dikte van het ijs. Hij stond met verslaggever en cameraman op het Van Harinxmakanaal, bij de flessenhals van de Weg achter de Geeuwen, toen de stroom uitviel.

Landelijk. Structureel. Onvoorzien, zei men later. Het duurde bijna een week tot het hele land weer stroom had.

Egbert zat in het gemeentehuis, waar noodaggregaten het gezag overeind hielden. Lampen bleven branden. Computers draaiden. Buiten was het donker en koud, maar binnen functioneerde alles zoals het hoorde.

Geen warmtepomp werkte meer als je geen noodaggregaat had.

Kaarslicht was toegestaan. Symboliek was onvermijdelijk.

Freddie van Riel stelde de vraag. Hij deed het rustig. Zonder beschuldiging. Alsof hij werkelijk benieuwd was en niet filmde voor het journaal.

"Handhaaft u vanavond het houtkachelverbod, burgemeester?"

Egbert hoorde zichzelf antwoorden voordat hij het had overwogen.

"Nood breekt geen wet."

De zin klonk stevig. Af. Hij noteerde hem mentaal voor later gebruik. Misschien voor een biografie. Voor als dit allemaal voorbij was en iemand zou vragen hoe hij het had volgehouden.

Freddie knikte. "Dus u handhaaft."

"De regels gelden voor iedereen."

"Ook vanavond."

"Vooral vanavond."


Die nacht sliep Egbert nauwelijks.

Niet uit twijfel. Uit kou. Zijn voeten bleven koud. Hij schoof de deken omhoog, trapte haar weer weg, draaide zich om. Niets hielp.

De haard bleef uit.

Niet omdat hij het koud had — dat had hij geleerd te negeren — maar omdat vuur altijd een reden nodig had.

Als kind had hij tegenover een vergelijkbare schouw gezeten, benen recht, handen op schoot. De kamer was warm geweest, maar leeg. Zijn moeder had boven gewerkt. Zijn vader was laat. Altijd laat.

Het vuur brandde alleen wanneer er bezoek was. Wanneer er gesproken werd over zaken die telden. Verkiezingen. Commissies. Hervormingen.

“Niet zo dicht,” had zijn vader gezegd zonder op te kijken van zijn papieren. “Warmte is geen speelgoed.”

Egbert had geknikt. Hij knikte snel. Dat werd gewaardeerd.

Hij had geleerd dat vuur iets was wat toestemming vereiste.
Dat je het niet mocht willen. Alleen mocht gebruiken.
Dat je stil bleef zitten.

En wachtte.

De haard bleef uit.


Die week werd er gehandhaafd.

Ben reed zijn rondes door straten die donkerder waren dan gebruikelijk. Hij schreef bonnen bij huizen waar de rook dikker was dan toegestaan. Hij keek niet meer naar wie er opendeed. Hij luisterde niet meer naar uitleg. Niet naar verhalen over kinderen met koude voeten of oude mensen die 's nachts niet sliepen van de kou. Hij keek alleen nog naar de schoorstenen.

Rook of geen rook. Dat was de enige vraag die telde.


Twee weken later overleed een vrouw in Mariënholt.

Een week daarna was er een echtpaar in Hoorveld.

Ouderdom, zei men. Complicaties, zei het verslag. Het officiële verslag, met stempel en handtekening en alles wat een dood legitiem maakt in de ogen van instanties.

De krant was preciezer.

OUDEREN OVERLEDEN TIJDENS VORSTPERIODE – GEMEENTE HOUDT VAST AAN STOOKVERBOD

Egbert las het artikel zonder emotie. Statistiek, dacht hij. Contextloos, maar bruikbaar. Mensen stierven altijd in de winter. Dat was geen nieuws. Het was demografie.


Het dorpsplein kreeg bezoek.

Niet van vandalen. Van jongeren.

Ze hadden een grote ton meegebracht en tot kachel omgedoopt. Ze zetten hem neer bij de oude draaimolen—een ding van roestig metaal en verbleekte verf waarvan niemand meer wist wanneer het voor het laatst had gedraaid. Eromheen stonden bankjes waar de lak vanaf bladderde. Een glijbaan. Sinds jaren de onofficiële hangplek van de lokale jeugd.

Nu stonden ze eromheen zoals mensen al eeuwen om vuur staan: zwijgend, schouder aan schouder, handen uitgestrekt. Niet om te rebelleren. Om te blijven.

Egbert liet het verwijderen.

Orde moest zichtbaar zijn, anders bestond ze niet.

De ton werd afgevoerd. De jongeren keken toe. Niemand protesteerde. Ze stonden er alleen maar, adem zichtbaar in de kou, en keken hoe de ton op een vrachtwagen werd getild en verdween.

De dagen erna bleef het plein leeg. Geen jongeren. Geen ton.
De draaimolen stond stil zoals altijd, maar nu zonder publiek. Niemand meldde zich. Niemand klaagde.
Er viel niets te handhaven.
De draaimolen bleef staan. Stil. Roestend.
Egbert keek ernaar vanuit het raam, alsof hij een variabele miste.
Tijdelijke verstoring van de openbare orde, dacht hij.
Hij liet de formulering weer los.
Er was geen overtreding geweest. Geen incident.
Alleen afwezigheid.
Er viel hier niets te noteren.


De vergaderkamer was groter dan nodig.

Zachte stoelen. Water in glazen karaffen die niemand aanraakte. Een scherm waarop scenario’s al klaarstonden, gerangschikt in kolommen en grafieken. Het licht viel door hoge ramen en maakte alles helder, scherp en onvermijdelijk.

De PR-dame tegenover hem droeg vandaag grijs met een beige streep, een mantelpak van stugge stof dat een vorm suggereerde als een licht harnas.

Ze sprak alsof ze iets voorlas dat al bestond voordat ze was binnengekomen.

“Dit is geen beleidsfout,” zei ze. “Dit is een beeldprobleem.”

Ze schoof een map naar voren. Foto’s van de overleden ouderen. Grafieken van opiniepeilingen. Een tijdlijn van krantenkoppen, zorgvuldig uitgelijnd.

“De feiten blijven staan,” vervolgde ze. “Maar we veranderen de context.”

Egbert knikte. Dat deed hij automatisch. Context was orde. Een verhaal dat je niet beheert, ontspoort.

“U spreekt voortaan over kwetsbaarheid,” zei ze. “Over structurele armoede. Over ouderenbeleid. U gebruikt het woord medeleven. Dat is vastgesteld.”

Ze keek hem niet aan toen ze het zei. Ze keek naar haar notities, alsof ze controleerde of alles was overgedragen.

“Niet over regels,” zei ze. “Niet over handhaving.”

Ze sloot de map.

“Dit is geen verzoek.”

Ze bleef niet zitten om te zien of hij iets terug zou zeggen. Dat was niet nodig. Het protocol was afgerond.

Daarna kwam de man aan de beurt.

Er waren geen documenten nodig. Geen scherm. Hij ging zitten zoals iemand zit die niets hoeft uit te leggen.

“Niemand wil escalatie,” zei hij. Zijn stem was zacht, vast. “Niemand wil dat dit uw nalatenschap wordt.”

Hij noemde functies. Adviesraad. Provinciale commissie. Posities zonder zichtbaarheid, maar met continuïteit. Met salaris. Met zekerheid. Met een titel die nog net genoeg woog.

“Een functie elders,” zei hij. “Met behoud van waardigheid.”

Egbert keek naar zijn handen. Ze lagen niet meer symmetrisch op tafel. De vingertoppen raakten elkaar niet.

“U begrijpt dit type functie,” vervolgde de man. “U heeft ze altijd begrepen.”

Dat was geen compliment. Het was een plaatsbepaling.

“Namens de commissaris van de Koning,” voegde hij eraan toe.

Egbert zweeg. Hij had dit verhaal eerder gehoord.

Dit was geen vraag die een besluit vereiste.

Buiten, bij de draaimolen op het plein, stonden nog jongeren. Zonder vuur. Handen in hun zakken. Adem zichtbaar in de kou. Ze zeiden niets. Ze wachtten nergens op.

Egbert bleef bij het raam staan.

Buiten doofde ergens een aggregaat. Het licht flikkerde, herstelde zich, doofde opnieuw.

Het begon te sneeuwen.


door Johan Jongepier