Het AZC

in #story23 days ago (edited)

HET AZC


Het begon, zoals steeds vaker, met een taakstelling.

Niet met een vraag, niet met een debat, maar met een tabel. Aantallen per gemeente, uitgesplitst naar capaciteit, leegstand en bestuurlijke draagkracht. Hoornveld-Mariënholt stond in het midden. Niet hoog, niet laag. Precies daar waar bezwaar zelden juridisch loont.

Egbert van Vliet las het document aandachtig. Niet omdat het hem verraste, maar omdat hij wilde controleren of het klopte. Dat deed het. De cijfers waren consistent. De formuleringen voorzichtig. Het woord crisis kwam nergens voor

Dat stelde hem gerust.

In de marge noteerde hij: uitvoering vraagt rust.

Het nieuws lekte niet via de raad, maar via een bijzin in een collegebesluit. Binnen een dag wisten mensen het. Binnen twee dagen stonden er berichten in appgroepen. Binnen drie was het onderwerp niet meer te ontwijken.

Rechts sprak over veiligheid, over schaal, over draagkracht. Ze gebruikten voorbeelden uit andere gemeenten, nooit uit de eigen straat.

Links sprak over menselijkheid, over verantwoordelijkheid, over internationale verplichtingen. Ze gebruikten woorden die niemand op de parkeerplaats gebruikte.

Niemand sprak over hoe het zou zijn om erin te leven.

Het licht viel van boven, onpersoonlijk, gelijkmatig verdeeld over de banken. Niemand zat in de schaduw. Er was nergens ruimte om je te verschuilen.

Egbert luisterde. Hij noteerde niets.

De raadsvergadering trok publiek dat normaal thuis bleef. De tribune was vol. Mensen stonden tegen de muren, jassen nog aan. Iemand had een kartonnen bord meegenomen, haastig geschreven. Het woord VEILIG was doorgestreept en vervangen door VOL.

Een raadslid van rechts begon. Hij sprak hard, te hard, alsof volume overtuigingskracht was. Hij zei grens en overlast en controle. Op de tribune werd geknikt. Iemand klapte.

Een raadslid van links reageerde onmiddellijk. Ze sprak over waarden, over wie wij wilden zijn. Haar stem brak even bij het woord menselijkheid. Dat werkte. Er werd weer geklapt. Iemand riep iets wat leek op instemming.

De voorzitter keek naar Egbert.

“Burgemeester.”

Het werd stiller, maar niet rustig. Het was de stilte waarin men zich voorbereidt op tegenstand.

Egbert stond op. Hij dacht aan Octavianus. Aan het herschrijven van regels. Niet winnen binnen het kader. Het kader veranderen. Hij deed zijn bril af en legde die naast zich neer. Hij keek niet naar de tribune, maar naar de raadsleden.

“Dit debat,” zei Egbert, “is niet meer richtinggevend.”

Hij liet een korte pauze vallen. Iemand kuchte.

“We bevinden ons niet meer in de fase van afweging,” zei Egbert “Alleen nog in die van uitvoering.”

Hij ging zitten.

Het debat was niet beslist. Het was ontmanteld.

Er volgde geen applaus.

Geen boegeroep.

Geen interruptie.

Stoelen kraakten. Iemand op de tribune fluisterde: “Wat zei hij nou?”

Een raadslid zette zijn microfoon aan. Liet hem weer uit. Niemand nam het woord.

Het debat viel niet stil omdat het beslist was, maar omdat het onbruikbaar was geworden.

Diezelfde avond zat mevrouw Van Uddel aan haar keukentafel. Haar telefoon lag naast haar bord. De debatgroep stond roodgloeiend. Ze typte met één hand, de andere hield een sigaret vast die al te lang brandde.

Hoornveld Lokaal RTV herhaalde het fragment.

Egbert, in beeld. Rustig. Onbewogen.

De verslaggever, Freddie van Riel, stapte naar voren.

“Burgemeester,” zei hij, “er wordt binnen de EU gesproken over financiële bijdragen in plaats van opvang. Mensen die verplaatst worden op basis van geldstromen — kunt u begrijpen dat dit door sommigen als een vorm van handel wordt gezien?”

Egbert keek even langs Freddie heen, alsof hij de vraag eerst wilde plaatsen.

“Mensenhandel,” zei hij, “veronderstelt uitbuiting. Dat is hier niet aan de orde.”

Hij sprak langzaam, bijna docerend.

“Wat we hier zien is kostencompensatie tussen staten. Verantwoordelijkheid delen. Orde scheppen in een systeem dat anders chaotisch wordt.”

Mevrouw Van Uddel liet haar telefoon zakken. De sigaret viel uit haar mond, rolde over tafel en brandde een kleine cirkel in het tafelblad.

Ze merkte het niet meteen.

Het bezoek aan het terrein werd een week later gepland. Strak geregisseerd. Een draaiboek, een tijdschema, namen van medewerkers en “vertegenwoordiging van bewoners”.

Egbert arriveerde op tijd.

Er werden handen geschud. Dankwoorden uitgewisseld. Korte zinnen in verzorgd Nederlands. Niemand sprak over wachten of werk.

Egbert stelde enkele vragen over voorzieningen en begeleiding. De antwoorden waren correct.

Na afloop stapte de groep weer in het busje. De gesprekken hielden op toen de deur dichtging. Dat leek hem logisch.

“Goed voorbereid,” zei hij tegen een ambtenaar.

Aan de rand van het terrein zat een man op een bankje. Niet aangekondigd. Niet geselecteerd. Hij stond op toen Egbert langs liep en zei iets, kort en zacht.

De tolk kwam erbij.

“Hij zegt dat hij wil werken.”

Egbert knikte en legde via de tolk het systeem uit. Procedures. Vergunningen. Wachttijden. Bescherming. Woorden die al vastlagen.

De man luisterde en knikte.

Toen zei hij nog iets. De tolk aarzelde.

“Hij zegt dat hij geen probleem heeft met wachten,” vertaalde hij. “Maar dat hij wil werken terwijl hij wacht.”

Egbert knikte nogmaals en liep door.

De man ging weer zitten.

In het verslag stond later:

Bewonersparticipatie verloopt conform verwachting.


Egbert had dit eerder gezien.

De gang was stil geweest. De beveiliging was vertrokken.

Hij keek op zijn horloge. 06.17.

Binnen een uur begon de ochtendronde.

Hij liep langs de deuren. Geen stemmen. Geen beweging. Dat was orde. Orde betekende voorspelbaarheid. Voorspelbaarheid was veiligheid.

Bij kamer 14B bleef hij staan.

De rapportage zat nog in zijn jaszak. Onaangekondigde inspectie. Elektrisch kookplaatje aangetroffen. Verwijderd conform huisregels. Bewoner verbaal geagiteerd.

Hij had het formulier zelf ingevuld. Neutraal. Zonder kwalificaties. Feiten volstonden.

De man had iets geroepen in een taal die hij niet verstond. Egbert had geen moeite gedaan dat te laten vertalen. Regels golden onafhankelijk van uitleg.

Brandveiligheid was eenduidig. De huisregels ook.

Eerder die winter was het kouder geweest. Mensen hadden bij de poort gestaan, wachtend op registratie. Hun adem zichtbaar in de lucht. Een vrijwilliger had voorgesteld iemand met koorts alvast binnen te laten.

Egbert had gewezen op het protocol. Aanmelding vond buiten plaats. Voor iedereen.

Uitzonderingen waren niet voorzien.

Hij herinnerde zich dat hij zijn jas had dichtgeritst terwijl de beveiliger de gegevens invoerde. Het duurde langer dan normaal. De vrijwilliger had hem aangekeken.

Egbert had zijn jas dichtgeritst.

Binnen was het warm. Buiten niet. Dat was geen beleidskeuze, maar een situatie. Hij kon die niet aanpassen zonder een andere regel te schenden.

In de keuken was later geklaagd over het eten. Stamppot, had iemand gezegd, was niet geschikt voor iedereen.

Egbert had de catering gecontroleerd. Calorieën. Samenstelling. Kosten per persoon. Alles binnen norm. Aanpassing was niet nodig.

Aan het eind van de gang draaide hij zich nog één keer om. Geen rooklucht. Geen geluid. Geen zichtbare overtredingen.

Hij maakte een mentale notitie het incidentrapport door te sturen naar de locatiemanager. Met het voorstel de betreffende familie op termijn over te plaatsen naar een locatie met striktere handhaving.

Niet als sanctie. Als maatregel.

Orde was geen voorkeur. Orde was randvoorwaarde.

Hij liep door. De gang bleef stil. Zoals voorzien.

Die stilte herkende hij nog steeds.


Na de vergadering belden raadsleden elkaar niet meer om te overleggen, maar om te klagen. Ambtenaren hielden zich aan instructies, niet aan intuïtie. Vrijwilligers voelden zich ongemakkelijk bedankt.

Egbert merkte het, maar begreep het niet.

Hij had geen partij gekozen.

Hij had geen emotie aangewakkerd.

Hij had niets gezegd wat onjuist was.

En toch keek niemand hem meer aan alsof hij hen vertegenwoordigde.

De pr-vrouw kwam niet meteen. Dat was nieuw.
Ze droeg vandaag geen jasje. Alleen een grijze blouse, hoog gesloten.
Geen sieraden. Geen map. Ze verdedigde niets..
Ze sprak voorzichtig. Over verhoudingen. Over draagvlak. Over timing.

Het gesprek duurde korter dan gewoonlijk.

Daarna kwam de man. Zonder map maar met een enveloppe..

“Het debat is niet ontspoord,” zei hij. “Het is vastgelopen.”

Hij liet de envelop achter. Deze was licht. Dat voelde Egbert toen hij hem aanraakte.

Nog geen ontslag. Alleen mogelijkheden.

“U begrijpt dit soort functies,” zei de man toen hij vertrok. “Dat is niet veranderd.”

Egbert bleef achter in zijn werkkamer.

Hij keek naar het plein. Mensen liepen langs elkaar heen. Doelgericht. Niet op elkaar..

Aan het einde stond een constructie. Decennia niet-functioneel. De oude draaimolen.

Hij dacht aan Augustus en hoe hij zijn daden had bekroond met de Res Gestae Divi Augusti. Niet vanwege de strijd maar vanwege ordening.

Egbert draaide zich om, naar zijn bureau.

De draaimolen. Het besloeg grond. Onbenut.

door Johan Jongepier