Het Kunstwerk
Het Kunstwerk
De avond hing laag over Hoorveld.
De oprit lag er nat bij.
Egbert parkeerde de auto binnen de lijnen, zette de motor uit en bleef een moment zitten. Het huis was verlicht. Boven brandde geen lamp.
Hij stapte uit, sloot de deur en controleerde automatisch of hij op slot was. Dat was zo.
Zijn vrouw zat aan de eettafel, rug recht, tablet voor zich. Haar elegantie was niet sensueel, maar correct: een keurmerk, geen uitnodiging.
"Je afwezigheidspercentage lag deze maand iets boven verwachting," zei ze, zonder op te kijken.
Egbert knikte terwijl hij zijn jas uittrok.
"Dat is correct. Twee overleggen duurden langer dan voorzien."
Hij schonk zichzelf water in. Het gebaar had iets plechtigs, alsof hij een handeling afrondde die later nog gecontroleerd kon worden.
"Je dossierbehandeling bleef binnen norm," vervolgde ze.
"Dat was de intentie."
Ze glimlachte kort. Het soort glimlach dat bevestigt dat een proces goed is verlopen.
Na het eten wisselden ze agenda's uit.
Zij sprak over haar dossiers.
Hij over het plein.
"De draaimolen gaat weg," zei hij.
"Waarom?"
"Functioneert niet meer."
Ze bladerde.
"Wat komt ervoor in de plaats?"
Egbert schoof zijn bord iets naar links.
"Leegte vraagt om opvulling."
"Dan moet je de leegte herdefiniëren."
"Een monument," zei Egbert.
Ze keek op.
"Gewijd aan?"
"Orde."
Toen ze opstond, gaf ze hem een kus op de wang. Het voelde als een handtekening.
"Werk niet te lang."
"Altijd binnen de norm."
Pas toen haar voetstappen boven verdwenen waren, pakte Egbert zijn autosleutels.
Hij controleerde of de voordeur op slot zat.
Daarna nog een keer.
Hij reed zonder muziek. De parkeerplaats lag achter het industrieterrein.
Eén lantaarnpaal deed het. De rest bleef donker.
Lucas leunde tegen zijn auto. Hij wachtte. Hij droeg dezelfde jas als altijd.
Ze knikten. Geen woorden.
Egbert opende zijn rits. Lucas deed hetzelfde. Ze keken niet naar elkaar.
Het duurde kort.
Toen het voorbij was, trok Egbert zijn jas recht. Lucas deed dat ook.
"Het plein," zei Lucas.
Egbert knikte.
Lucas stapte in. De auto reed weg.
Het besluit leek klein.
Een kunstwerk.
Staal en beton, abstract genoeg om alles te kunnen betekenen. Op het plein bij het gemeentehuis. Duur. Permanent. Zo zou Augustus het ook hebben gedaan. Niet ter herinnering aan zichzelf, maar aan de orde die hij had gebracht.
Lucas kreeg de opdracht. De onderbouwing volgde later. Er waren altijd uitzonderingen die juridisch correct bleven zolang niemand ze hardop benoemde.
Zwijgen had waarde.
Discretie ook.
De draaimolen verdween. Het functioneerde tenslotte niet meer.
Net als de bankjes waar jongens zaten niets te doen.
De onthulling was gepland op een donderdag. Sacramentsdag.
Niet tijdens de processie. Dat zou ongepast zijn.
Maar erna, wanneer mensen toch nog in het dorp waren.
De straten lagen vol bloemblaadjes. Het baldakijn was net opgerold. De misdienaars liepen in kleine groepjes terug naar de pastorie. De geur van wierook hing nog tussen de huizen.
Egbert stond naast het podium. Het podium was tijdelijk. Het doek was donkerrood. De microfoon droeg het gemeentewapen.
Pastoor Patrick had geaarzeld toen Egbert het voorstelde.
"Het is een dag van devotie," had hij gezegd.
"Precies," zei Egbert. "Een dag van gemeenschap."
Patrick stond nu achteraan, bij de fietsen. Hij hield zijn handen gevouwen, maar niet in gebed.
Egbert stapte naar voren.
Hij sprak over waarden die blijven.
Over erfgoed en toekomst.
Over verankering.
Het woord viel drie keer.
Lucas stond naast het doek. Zijn handen langs zijn lichaam. Hij zei niets. Dat was afgesproken.
Egbert knikte.
Het doek viel.
Patrick keek op.
Hij keek weg. Zijn hand zocht steun tegen het fietsenrek.
Staal en beton.
Hoeken die nergens heen leidden.
Een vorm zonder richting.
Het applaus begon aarzelend. Het bleef beleefd. Het stopte snel.
Patrick keek niet meer naar het kunstwerk. Hij keek naar Egbert.
Een uur later zat Jan in De Zwaan, aan het raam.
"Het is geen kunst," zei hij.
Hij draaide zijn glas.
"Het is een verklaring."
"Waarvan?" vroeg de barman.
Jan keek naar het plein. Naar het staal dat te groot was voor de ruimte.
"Van wie hier iets mag achterlaten."
Iemand anders aan de bar noemde het een gedrocht. Past bij de burgemeester.
Jan glimlachte niet. Hij nam een slok.
De jongeren waren hun plek kwijt. Ze trokken verder zoals ontheemden doen.
Eerst naar de supermarkt. Daarna naar het plantsoen bij de oorlogsgraven. Klachten volgden. Over lawaai. Over afval. Over respectloosheid.
Mien stond bij de ingang van de Jumbo. Haar rollator voor zich. De automatische deuren gingen open. Dicht. Open.
Drie jongens hingen bij de wagentjes. Eén zat op de reling. Ze zeiden niets. Ze keken niet op.
Mien pakte haar telefoon.
"Ben?" Haar stem klonk dun. "Ze staan hier weer."
"Ik kom eraan."
Ben parkeerde schuin op de stoep. Hij stapte uit.
"Doorlopen," zei hij.
"Waarheen?" vroeg een van de jongens.
Ben keek naar het plein. Leeg. De draaimolen was weg. Alleen staal, verderop, achter lint.
"Hier mag je niet hangen."
"Dat zeggen ze overal," zei de jongen. "Waar mogen we dan wél?"
Ben zweeg. Hij draaide zich om naar Mien.
"Wilt u dat ik met u meeloop?"
Ze knikte.
De jongens gingen opzij. Langzaam. Een keek Ben aan. Niet uitdagend. Anders.
Ben liep naast Mien naar het nabijgelegen zorgcentrum. De deuren sloten.
De jongens bleven staan bij de winkelwagens.
Niemand zei waar ze heen moesten.
Het begon die avond met een melding.
Overlast. Muziek. Schuur achter Svens huis.
Ben reed erheen met twee collega's. Auto's stonden half in de berm. Fietsen tegen het hek. Door het raam zag hij silhouetten.
Hij klopte. Niemand deed open.
"Politie! Open doen!"
De muziek bleef hard. De deur bleek niet op slot.
Ben stapte naar binnen. Te veel gezichten. Te weinig ruimte. Iemand deed een stap achteruit. Iemand anders bleef staan. Iemand zette de muziek uit.
"Naar huis," zei Ben.
"We staan hier niemand in de weg," zei een jongen.
"Dat maakt niet uit."
"Wat maakt dan wél uit?"
Ben keek om zich heen. Blikjes op tafel. Een speaker in de hoek. Geen schade. Geen slachtoffers.
"Hier mag dit niet."
"Waar dan wél?"
Een fles viel. Niet gegooid. Gevallen. Het geluid was scherp in de stilte.
Een collega greep iemands arm. Iemand anders duwde terug. Geen klap. Een reflex.
"Handen omhoog!"
Telefoons gingen omhoog. Niet handen.
Buiten flitste blauw licht tegen de schuurwand.
Later zag Ben de beelden. Online. Al voor hij zijn rapport had geschreven.
De beelden werden gedeeld. Duizenden keren. Commentaren volgden.
Egbert reageerde zoals hij altijd deed: borden, regels, tijden. Sluiting om tien uur. Extra toezicht.
Op een nacht stond er graffiti op het kunstwerk.
ONZE PLEK.
Egbert zag het 's ochtends toen hij naar het gemeentehuis liep.
Hij bleef staan.
Zijn hand sloot zich tot een vuist. Opende.
Hij liep verder, iets sneller dan normaal.
Hij ging verder dan nodig was.
Camera's. Hekken. Interviews over normvervaging. Over een kleine groep die het dorp gijzelde.
En toen begon men te graven.
Freddie kwam namens Hoorveld Lokaal RTV.
Hij zat al toen Anita binnenkwam. Ze ging tegenover hem zitten. Telefoon met het scherm naar beneden. Handen eroverheen.
"U wilde me spreken."
"Het kunstwerk op het plein," zei Freddie. "Was er een aanbesteding?"
"Niet vereist."
"Waarom niet?"
"Uitzonderingsclausule."
"Welke?"
Anita schoof haar telefoon een kwartslag. Legde hem terug.
"Dat staat in de stukken."
"Daar staat geen artikelnummer," zei Freddie.
"De burgemeester heeft dat besloten. In overleg."
"Met wie?"
"Dat moet u hem vragen."
"Hij verwees naar de clausule."
"Welke?" vroeg Anita.
Freddie zweeg. Hij keek naar het raam.
"Dat wilde hij niet zeggen."
Anita zuchtte.
"Soms moet je gewoon dóór. Het plein was een probleem."
"Voor wie?"
"Voor de leefbaarheid."
"Volgens wie?"
Ze sloot haar mond. Haar vingers tikten tegen haar telefoon.
"De kunstenaar," zei Freddie. "Lucas. Hoe kwam hij in beeld?"
"Via een netwerk."
"Welk netwerk?"
"Dat weet ik niet."
"U stemde wel in."
"Met het voorstel."
"Zonder te weten wie hij was?"
Ze keek weg.
"Hij heeft eerder werk gedaan. Niet zo lang geleden."
"Ook zonder aanbesteding?"
Anita zweeg.
Freddie schreef iets op.
"Kleinere opdracht," zei ze. "Onder de drempel."
"Ook op voorstel van de burgemeester?"
Ze antwoordde niet.
"Zou u het erg vinden als ik dat uitzoek?"
Ze keek hem aan.
"U doet uw werk. Net als ik."
Ze pakte haar tas.
"Freddie," zei ze bij de deur. "Als u iets vindt, zorg dat het klopt."
"Dat ben ik van plan."
Ze liep weg.
Freddie bleef zitten. Hij sloeg zijn notitieblok open.
PLEIN – UITZONDERING – LUCAS
Daaronder trok hij een lijn.
Hij pakte zijn telefoon. Belde iemand. Maakte een afspraak.
De raadsvergadering zat vol. Jongeren achterin. Stil. Geen telefoons. Geen gegniffel. Dat was nieuw.
Egbert sprak over proportionaliteit. Over onderzoek. Over vertrouwen.
Toen ging het licht uit.
Freddie zette een projector aan.
Op het scherm: een kenteken. Een parkeerplaats. Twee silhouetten.
Het kenteken bleef staan.
Egbert bleef zitten.
Niemand zei iets. Geen rumoer. Alleen stilte.
Niet de stilte die hij kende. Deze was leeg.
Buiten kreeg het kunstwerk een naam. Iemand had een kartonnen bord aan het staal gehangen:
"De Foefel"
Een jongen had zijn fiets ertegen gezet.
Hij leunde erop, handen in zijn zakken.
Niemand zei dat hij daar niet mocht staan.
Egberts telefoon trilde.
Geen journalist.
Geen raadslid.
Een adviseur.
De vergaderkamer rook naar ontsmettingsmiddel en stilte.
Egbert zat niet aan het hoofd van de tafel. Hij zat in het midden. Een plek zonder gezag. Een plek voor getuigen.
De PR-dame kwam binnen zonder map. Dat was het eerste signaal. Ze droeg donkerblauw in plaats van grijs.
"Dit gesprek wordt niet genotuleerd," zei ze. "Het is een mededeling."
Egbert zei niets.
"We weten wat er op die parkeerplaats gebeurt," vervolgde ze. "En we weten waarom Lucas dat werk heeft gekregen."
Ze legde haar hand plat op tafel.
"De vraag is niet of dat naar buiten komt. Alleen wanneer."
Daarna kwam de man. Hij legde een dunne envelop voor Egbert neer.
"Dit is geen straf," zei hij. "Een functie. Afgelegen. Onzichtbaar. Archief. Toezicht zonder toezicht.
U blijft daar zitten tot uw pensioen," zei hij. "En zolang u daar zit, blijft dit gesloten."
"En als ik weiger?" vroeg Egbert.
De man keek hem aan.
"Dan gaan journalisten uitzoeken waarom die parkeerplaats geen cameratoezicht heeft. En waarom dezelfde kunstenaar vaker terugkomt. En waarom sommige plekken alleen 's nachts bezocht worden."
Hij stond op.
"Journalisten gaan vragen stellen," zei hij.
"Niet over beleid."
Egbert keek naar het plein. De pers was gearriveerd. Camera's werden opgesteld.
Het kunstwerk stond er.
Landelijk nieuws. Permanente beelden.
Hij dacht aan Augustus. Aan de Res Gestae.
Aan wat achterbleef als bewijs.
Buiten filmde iemand het kunstwerk.
Het zou blijven staan.
Door Johan Jongepier
