HET VERKEER
HET VERKEER
Het begon, zoals alle grote vergissingen, met een brief.
Niet van een boze burger of een bezorgde arts. Dit kwam uit Den Haag. Of beter gezegd: via Den Haag, uit Brussel. Het stond vol met termen als “modal shift”, “leefbaarheid” en “klimaatneutraliteit”. De kern was eenvoudig: auto’s moesten worden geweerd uit historische dorpskernen.
Egbert las het niet als een opdracht, maar als een bevestiging.
Hij had altijd al geweten dat auto’s het moderne verval symboliseerden. Niet omdat ze doden veroorzaakten — dat deden veel dingen — maar omdat ze orde onmogelijk maakten. Ze brachten geluid waar stilte hoorde te zijn, beweging waar overzicht nodig was. In de cijfers zag hij geen risico’s, maar bewijs. Het was geen beleid. Het was hygiëne.
Hij presenteerde het niet als een keuze, maar als een noodzakelijke ingreep. Geen verbod, maar bescherming. Het dorp lag niet onder vuur — het lag open.
Raadslid Anita van Leefbaar Hoorveld zei weinig tijdens die vergadering. Ze zat iets onderuitgezakt, haar jas nog aan. Ze had rode ogen, alsof ze slecht had geslapen.
“Dit gaat te snel,” zei ze. Niet boos. Vermoeid. “We zijn dit niet.”
Ze vroeg om een referendum. Meer uit plicht dan uit strijd. Het hele dorp stemde. En het hele dorp stemde tegen.
De raadsvergadering die volgde duurde korter dan verwacht.
Er werd niet gesproken over uitslag, maar over context.
Over framing. Over verwachtingen. Over hoe complex beleid soms te eenvoudig werd voorgelegd.
Iemand zei dat het geen afwijzing was, maar een misverstand.
Iemand anders noemde het “een signaal, geen besluit”.
De conclusie werd vastgelegd in het verslag.
De intentie van het beleid is onvoldoende overgebracht.
Egbert las de uitslag in zijn studeerkamer.
Hij voelde niets dat om heroverweging vroeg.
Het was geen minachting. Het was orde. Mensen dachten in parkeerplekken, niet in patronen. In vandaag, niet in gevolgen. Democratie was nuttig, zolang zij niet in de weg stond.
Hij schreef een column voor het dorpsblad. “Overgangsmaatregelen” luidde de titel. Hij prees de e-bike. Hij noemde cijfers over CO₂. Hij citeerde een Zweeds onderzoek dat hij slechts vluchtig had bekeken. Hij eindigde met een vraag die geen antwoord verwachtte.
Het antwoord van het dorp kwam niet in woorden, maar in geluid.
Toen overkwam Mien wat iedereen had zien aankomen, behalve Egbert.
Op een grijze donderdagmiddag werd ze op het zebrapad bij de Jumbo aangereden door een jongen op een fatbike. Hij had zijn telefoon in de hand. De rollator schoof weg. Mien kwam hard neer, haar boodschappentas opengebarsten. Een doos eieren liep leeg over het asfalt.
Ze raakte niet ernstig gewond. Dat was belangrijk. Dat werd benadrukt.
In de raadszaal legde Anita het incident voor zich neer, alsof het zwaar was.
“Dit is wat mensen zien,” zei ze. “Niet beleid. Dit.”
Egbert knikte. Hij wachtte tot het stil werd.
“Het probleem,” zei hij toen, “is niet de fiets. Het probleem is gedrag. Dat is corrigeerbaar.”
Er werd een handhavingslijn vastgesteld. Zero tolerance. Geen debat. Een flyer. Een campagne. Boetes.
Mien liet voortaan haar boodschappen bezorgen.
De straatverlichting was al weken gedimd. Energiebesparing, stond er in het besluit. Lichtvervuiling.
En toen hield Jan van der Berg zich niet aan zijn eigen regels.
Hij kwam van een avond bij Bertje. Er was wijn geweest. Geen dronkenschap, maar losheid. Hij nam zijn e-bike. De auto mocht niet meer.
In de bocht bij zijn straat zag hij te laat wat er stond. Een auto, half op de weg, slecht zichtbaar. Hij remde, slipte, viel. Zijn schouder sloeg tegen het asfalt.
De auto was van Egbert.
Egbert stapte uit, beheerst, bijna opgelucht dat hij iets kon doen.
“Van der Berg,” zei hij. “U reed gevaarlijk.”
Jan probeerde te antwoorden, maar de pijn was te scherp.
“De verlichting—”
“Is conform besluit,” zei Egbert. “En ik sta hier dienstmatig.”
Het bleef daarbij.
De stroomstoring kwam twee dagen later.
Lokaal ditmaal maar wel langdurig. De elektrische bus naar het P&R-terrein reed niet. Het P&R-terrein lag aan de verkeerde kant van de snelweg. Formeel niet per voet bereikbaar.
Mensen begonnen toch te lopen.
Ben van der Meer stond bij het hek en zei wat hij moest zeggen. Zijn stem trilde niet. Zijn handen wel.
“Dit mag niet,” zei hij. “Het is gevaarlijk.”
Niemand schreeuwde. Ze liepen gewoon door.
Ben schreef de eerste bon uit. Toen de tweede. Hij wist dat hij het verkeerd deed. Hij wist ook dat hij het niet kon laten.
Toen iemand hem aanraakte, trok hij zijn stroomstootwapen. Niet om te gebruiken. Om afstand te creëren.
Het geluid was genoeg.
Daarna werd het stil.
De vergaderkamer rook niet naar paniek, maar naar uitstel.
Papier. Koffie. Iemand had een raam opengezet.
De pr-vrouw sprak niet meteen. Ze bladerde door haar map alsof ze afvinkte wat er nog te redden viel.
“Dit is geen incident meer,” zei ze uiteindelijk. “En ook geen communicatiekwestie.”
Ze keek op.
“De raad is het vertrouwen kwijt. Niet inhoudelijk. Procedureel.”
Ze sprak het woord alsof het niets betekende.
“Ze zeggen niet dat u ongelijk heeft,” ging ze verder. “Ze zeggen dat u niet meer functioneert in dit proces.”
Egbert knikte. Dat deed hij vaker bij zinnen die hij als tijdelijk beschouwde.
“Dan moeten we het proces verduidelijken,” zei hij.
Ze zei niets meer.
De man kwam later. Geen haast. Geen map. Hij bleef staan.
“De fractievoorzitters hebben elkaar gesproken,” zei hij. “Zonder u.”
Hij liet een stilte vallen die niet bedoeld was om gevuld te worden.
“Er komt een motie van wantrouwen. Symbolisch. Niet juridisch.”
Egbert leunde achterover.
“Die verandert niets.”
“Dat klopt,” zei de man. “Maar hij blijft liggen.”
Hij keek Egbert aan, alsof hij een mededeling deed waar geen reactie op werd verwacht.
“De commissaris wil koffie drinken.”
“Wanneer?” vroeg Egbert.
“Niet officieel,” zei de man. “En niet op het provinciehuis.”
Egbert keek naar zijn handen. Ze lagen zoals altijd. Keurig. Symmetrisch.
Buiten, op het plein, stond Het Monument.
Het opschrift was nieuw. Strak aangebracht. Zonder woede.
HIJ WIST WAT GOED VOOR ONS WAS
Egbert bleef bij het raam staan.
Het plein was leeg van auto’s.
Zoals het hoorde.
Een groep jongeren kwam het verkeersvrije gebied in. Fatbikes. Geruisloos. Ze slingerden tussen de bankjes door, lachten, reden rondjes. Niemand hield hen tegen. Er was niets om tegen te houden.
Een meisje keek even omhoog, naar het gemeentehuis. Niet vijandig. Ook niet nieuwsgierig. Ze keek zoals men kijkt naar een gebouw dat niets meer met je te maken heeft.
Egbert volgde haar met zijn ogen tot ze weer opging in de beweging.
Dit was geen chaos.
Dit was toegestaan.
Het werkte precies zoals hij het had bedoeld.
Alleen hij stond er niet meer in.
door Johan Jongepier
